Mooi wat bloemen doen

Eerder gepubliceerd als column in Playboy #11/2019

De vele fans van mijn column weten dat ik een paar maanden geleden een mysterieus actiepunt op mijn to-dolijst aantrof: Paard kopen. Nadat ik me drie dagen had blindgestaard op deze woorden, gaf ik het ontcijferen van mijn handschrift op. Toen ik er de volgende middag uit een ooghoek naar keek, zag ik ineens wat er stond: Plant kopen.

Soms zie je in de krant een foto gemaakt door een politiefotograaf uit de jaren vijftig of zestig van een huiskamer van een alleenwonende handelsreiziger in fournituren. De man ligt doodvermoord in een hoek van die kamer - meestal zie je alleen het onderste stuk van zijn lichaam, gehuld in een confectiepak van C&A. Verder is er een eettafel zonder kleed en met hooguit twee stoelen. Op een bijzettafeltje staat een kopje waarvan het oor is afgebroken, een restje koffie er nog in (zwart met drie grote scheppen suiker). Tegenover de deur een stoffen, doorgezakte bank met vlekken van onduidelijke herkomst en in de hoek een schemerlamp met een scheve kap en dezelfde vlekken. Zo ziet mijn woonkamer er ook uit, maar dan zonder lijk.

Ja, een plant zou mijn woonkamer danig opfleuren, dacht ik toen ik naar de bloemenwinkel fietste. In een tunnel zag ik een reclameposter voor een nieuwe Rambo-film, aan de ondertitel Last Blood te zien het slot van de reeks. Ik moest denken aan die zondagmiddag in de herfst van 1988 toen ik met vrienden Paalman, B., M. en nog wat letters naar de derde Rambo-film ging in de enige bioscoop die we hadden op het platteland, een aftands pand dat evenveel met Hollywoodglamour had te maken als C&A met high fashion. In de pauze kocht ik een Mars. Toen ik weer op mijn plek in de bioscoopzaal zat en de Mars tevoorschijn haalde, zag ik dat op de wikkel stond: Win een reis naar de Olympische Spelen 1984 in Los Angeles! De chocola lichtte wit op in het donker. Ik dacht: wat zou Rambo doen? en at de reep toch maar op.

Misselijk van de spanning stapte ik de bloemenwinkel binnen, want ik kon buiten al horen dat een vrouw uit de categorie 'volks type' de zaak runde. Van de zenuwen zei ik bij binnenkomst ola in plaats van hallo. Ze antwoordde in het Nederlands, waarschijnlijk omdat ze me te bleek en niet hysterisch genoeg vond voor een Spanjaard. Moeizaam formulerend legde ik uit dat ik een plant nodig had 'die je in je woonkamer kunt zetten'. Ze kwam met een grote plant aanzetten en ik zei meteen isgoedkanikhierpinnen? en dat kon en ze pakte de plant in en ik pinde en ging weer, bang dat ze Doei, moppie! tegen me zou zeggen, maar dat gebeurde niet. Bij de uitgang zag ik wat flessen plantengroeimiddel staan. Ik moest denken aan The Day of the Triffids, een tv-serie uit 1981 over grote, agressieve planten die mensen aanvallen en vermoorden en waar ik nog tot ver in de jaren nul overstuur van ben geweest.

Thuis pakte ik de plant uit en zette hem in een hoek. Twee keer per week water geven, had het volkse type gezegd, maar ze had niet gezegd op welke dagen, dus ik wist niet of ik nu al met mijn gietertje aan de slag moest. Ik ging op mijn stoffen, doorgezakte bank zitten en keek naar de plant. Misschien had ik een kleinere moeten kopen, dacht ik, of een heel ander model, eentje die niet zo op een triffid lijkt, of misschien toch gewoon een paard. Ik keek naar de plant en de plant keek naar mij. Hij zag er hongerig uit. Ik dacht: wat zou Rambo doen?



[ Maar wat is het? ]