11,83 kilometer fietsen

Eerder gepubliceerd als column in Playboy #02/2022

Ik wilde op bezoek bij vriend A. om een avondje te dammen (het bordspel, niet het jarennegentigeufemisme voor neuken). Helaas is A. onlangs verhuisd van mijn woonplaats Utrecht naar Zeist. Met de online routeplanner van de Fietsersbond zocht ik op hoe lang ik nu naar hem moest fietsen: 11,83 kilometer. 'Elf komma drieŽntachtig kilometer?!' riep ik tegen mijn computer, 'dat is bijna twaalf kilometer!'

Het was ook nog eens winter, dus ik zou zowel de heen- als de terugweg in het donker fietsen. Onderweg zou ik weilanden passeren met bosschages waarachter verkrachters lachend op mij lagen te wachten. De Utrechtse serieverkrachter mocht dan in 2014 zijn opgepakt & vastgezet, maar hoe zat het met de Biltse, Dolderse, Groenekanse, Bilthovense en Zeister serieverkrachters? Precies, die liepen nog vrij rond, in hun hand reeds het willige segment, om Brigitte Kaandorp maar eens te citeren.

En wat als ik een lekke band zou krijgen? Trouwe lezers van mijn column weten dat ik geen fietsband kan plakken. Of misschien kreeg ik wel een hongerklop? Ik moest een zakje studentenhaver meenemen, maar dan zou dat zakje onderweg scheuren zonder dat ik het merkte en zou ik een spoor van noten en rozijnen achterlaten als Groot Klein Duimpje. Met een veel te lage bloedsuikerspiegel zou ik van mijn fiets vallen en worden overreden door een vrachtwagen omdat de chauffeur net een gezellig appje aan het typen was naar de Top 2000.

Nog voor ik 1 centimeter had gefietst, was de paniek al vetter dan vetbolletjes. Wat was er van mij geworden? Op de middelbare school lachte ik om dit soort fietsafstanden, overdag, 's avonds en 's nachts. Ik moest denken aan hoe ik in die tijd had meegedaan aan een dropping ter gelegenheid van vriend M.'s zestiende verjaardag. Met een man (jongen) of vijf werden we geblinddoekt in een auto met M.'s vader achter het stuur naar het midden van nergens gereden en uit de auto geschopt, op een decemberavond, zonder mobiele telefoons, tomtoms of wat dan ook. Nadat we onze blinddoek hadden afgedaan, zagen we nog net de rode achterlichten verdwijnen.

Daar stonden we dan. We keken elkaar aan (denk ik, want het was nogal donker). Vaag zag ik weilanden, een zandpad, een vaart. Waar waren we? Als het 2022 was geweest, hadden we onze iPhone gepakt en gezien: 52į44'39.8"N 6į47'19.7"E. Maar dit was 1986, dus we begonnen maar gewoon het zandpad langs de vaart af te lopen. Het zandpad werd een asfaltweg, iemand haalde een zakflesje beerenburg tevoorschijn, het werd gezellig en na een kilometer herkende iemand anders waar we waren. Twee uur later waren we op het verzamelpunt. De noodprocedure (bij een willekeurig huis aanbellen en vragen of we even mochten telefoneren met M.'s vader, dit klinkt anno nu volkomen krankzinnig) hadden we niet hoeven toepassen.

Het leven is net een dropping uit de jaren tachtig, dacht ik terwijl ik de fietsroute Utrecht-Zeist bestudeerde: je wordt ergens neergegooid, je schepper verlaat je en dan moet je maar je weg zien te vinden, zonder enige navigatiehulp, met alleen beerenburg als troost.

Die avond won de damlust het van de angst en fietste ik naar Zeist en daarna ook weer terug, zo ver was het eigenlijk niet, en als mijn band lek zou zijn gegaan was ik gewoon op de velg doorgefietst, Tweede Wereldoorlog-stylee. Met de borst vooruit en zonder hongerklop peddelde ik tegen enen mijn straat in, zette mijn fiets op slot en ging naar binnen, net op tijd om mijn vriendin te sms'en dat ik veilig was thuisgekomen en dat het allemaal toch best spannend was geweest.

<< Vorige column | Volgende column >>



[ Maar wat is het? ]