Mijn haar is lang

Eerder gepubliceerd als column in Playboy #07/2021

Het begint een beetje uit de klauwen te lopen met de lengte van mijn haar. In december 2019 ben ik voor het laatst naar de kapper geweest. Weet u hoe lang dat geleden is? Greta Thunberg werd verkozen tot TIME Person of the Year, Ridouan Taghi werd opgepakt in Dubai en Paul McCartney maakte bekend dat The Beatles uit elkaar gingen.

De laatste keer dat mijn haar zo lang was als nu, was in 1995, maar ja, toen was het mode. Ik droeg er een houthakkershemd bij, rookte Marlboro-sigaretten en luisterde veel naar de tweede cd van The Black Crowes, The Southern Harmony and Musical Companion. Bovendien was ik net begonnen met gitaarspelen en het leek mij dat mijn gitaarspel automatisch beter zou worden als ik lang haar had - kijk en luister maar naar de gitarist van The Black Crowes.

Inmiddels zijn de kappers weer open, maar alleen voor mensen met een mondkapje. Ik vind mondkapjes voor gezonde mensen maar stom gedoe. Net als de avondklok, die ik in de ruwweg 90 avonden van zijn bestaan ruwweg 91 keer heb overtreden, gewoon omdat ik de avondklok, eh, stom gedoe vond. (Ik begrijp ineens waarom ik nooit word gevraagd om aan te schuiven bij Op1. Jammer, want dan zou ik aan Gerard Joling kunnen uitleggen wat ik vind van het IsraŽlisch-Palestijnse conflict: stom gedoe.)

Ik denk niet dat ik iemand met corona heb besmet terwijl ik 's nachts om half vier in mijn eentje mijn rondjes om de Utrechtse singels fietste. Dat deed ik overigens omdat ik overdag te lang binnen had gezeten, niet omdat ik mijzelf een verzetsstrijder uit de Tweede Wereldoorlog waan. Vergelijkingen van deze coronatijd met de Tweede Wereldoorlog gaan sowieso mank omdat je de hoeveelheden en soorten leed moeilijk naast elkaar kunt zetten - tijdens de Tweede Wereldoorlog was de horeca bijvoorbeeld gewoon open. (Deze grap moet ik onthouden om over vijf jaar aan mijn kapster te vertellen.)

Maar goed, 1995 dus. Ik woonde op kamers, en toen ik samen met mijn haren weer eens een weekend bij mijn ouders was om aan te sterken, kon mijn oude moeder er niet meer tegen. Ze bood me geld om naar de kapper in de stad te gaan en wilde me er nog heen chauffeuren ook. Ik zei: 'Nee!', want met lang haar ben je een rebel, verdomme.

De volgende dag wees mijn oude moeder mij erop dat er gaten in mijn houthakkershemd zaten. 'Kom,' zei ze, 'we gaan naar de stad, kleren kopen. Ik betaal.' Dat leek me een goed idee. Mijn zusje wilde ook wel mee en vrolijk zingend gingen we naar de stad. Daar reed mijn oude moeder alle kledingwinkels voorbij in het tempo waarin H&M nieuwe collecties lanceert, stopte met rokende banden voor de kapper en zei op dreigende toon dat we uit moesten stappen.

Toen ik even later tegen de kofferbak stond geleund, zei mijn oude moeder: 'En nu ga je naar binnen.'
'Nee,' zei ik. Ik had zin in een sigaret, maar mijn ouders wisten niet dat ik rookte. Jaloers keek ik naar de autobanden. Het valt niet mee om een rebel te zijn, dacht ik.
Mijn zusje wees naar de deur van de kapper. 'Doe het dan voor je oude moeder!' zei ze half huilend.
'Nee!' riep ik. We reden weer terug. Niemand zong.

Maar goed, 2021 dus. Mijn vriendin deed gisteren ook haar beklag over mijn haar. Toen ze klaar was zei ik: 'Okť, moeder.' Om onbegrijpelijke redenen werd ze daar boos over. Stom gedoe. Nou, ik moet stoppen met typen, want ze belde net of ik meega naar de stad, kleren kopen.



[ Maar wat is het? ]