Totale leegteverkoop

Eerder gepubliceerd als column in Playboy #05/2018

Ik was een tekst aan het typen die een product van mijn opdrachtgever moest verkopen, maar het werd niks. Espresso, dat was wat ik nodig had. Ik liep naar de keuken, deed water en een schepje gemalen Aficionado-bonen in mijn espressoapparaat en drukte op start.

De machine maakte een raar geluid dat ik nog nooit had gehoord, perste er met duidelijk merkbare tegenzin een miniem straaltje vocht uit en hield er toen maar helemaal mee op ook. In mijn glaasje lag een onduidelijke afscheiding met een groenige kleur, alsof het apparaat een geslachtsziekte had opgelopen - niet voor niets staat het woordje soa in het midden van het woord espressoapparaat.

Blijkbaar had mijn espressoapparaat ook een espresso nodig, maar die kon ik niet voor hem zetten omdat mijn espressoapparaat kapot was. Het was drie uur 's middags, de dag was nog maar net begonnen en ik zat nu al in een oneindige loop.

Dan maar de deur uit, naar een echte winkel, om een ouderwets modern filterapparaat voor noodgevallen als deze te kopen. Ik moest toch nog wat andere boodschappen doen en die had ik zo lang mogelijk uitgesteld omdat ik er steeds meer moeite mee heb om winkels te bezoeken. Ik kan er gewoon niet meer tegen.

Blijkbaar ben ik niet de enige fanboy van e-commerce, want toen ik de huishoudelijke winkel binnenstapte leek het alsof ik in een aflevering van The Walking Dead was beland. In de hele zaak was geen levend mens te bekennen, alleen maar spullen die niemand wilde hebben. Uiteindelijk vond ik helemaal achterin een eenzame Braun-koffiezetter - die moest het dan maar worden.

Er stond een bordje bij met de tekst dat ik de 'artikelen' niet zelf mocht pakken, maar een van de vriendelijke medewerkers moest vragen dat te doen. Oké. Ik stond vlak bij een kassa, maar daar stond niemand achter. Ik keek de zaak door: nergens een vriendelijke medewerker te bekennen. Wel waren er inmiddels twee andere klanten, die net als ik een beetje verweesd om zich heen stonden te kijken. Zonder aankoop verliet ik de winkel.

Volgende stop: de ijzerwarenkoning, waar ik een gloeilampje van 15 watt wilde kopen voor mijn roze Laurel & Hardy-lamp. De gloeilampen kon je niet zelf pakken, want ze hingen achter de toonbank. Ik trof het niet: de man achter de toonbank was een middenstand-upcomedian en hij was bezig een bejaard echtpaar een bus verf aan te smeren.

'Dit is echt een warme kleur,' zei hij. 'Maar ik moet u waarschuwen: hij is niet voor iedereen.'
'O nee?' zei het echtpaar geschrokken.
'Nee,' zei de verkoper. 'Ik heb er vorige week een muur in mijn woonkamer mee geschilderd. Dus 's avonds komt mijn vrouw thuis, kijkt naar de muur en zegt Wat is dit? Ik zeg: Warm wit. Nou, ze legt haar hand op de muur en zegt: Die muur voelt anders net zo koud aan als altijd!'

Het oudere echtpaar lachte een beetje, de verkoper brulde het uit. Van de hilariteit maakte ik gebruik om ongemerkt de zaak uit te wandelen. (Mijn bezoekje aan de drogist zal ik u besparen.)

Winkels. Wat moeten we er nog mee? De enige winkel die nog kans maakt in deze tijd van mindful ontspullen, is een winkel waar niks op de schappen staat. Maar wat verkopen jullie dan? Nou, niks. Het zal er stormlopen, voorspel ik. En zo'n winkel is meteen een mooie plek voor mij om te solliciteren wanneer mijn opdrachtgever mij aan de kant heeft gezet vanwege ongeďnspireerde teksten. Ik weet zeker dat ik word aangenomen, want ik ben echt een verkoper van niks.



[ Maar wat is het? ]