Sommige mensen hoeven geen meloen

Eerder gepubliceerd als column in Playboy #04/2020

Vanwege klussende buren zat ik weer eens op mijn MacBook Air in het hippe grand café vol fitgirls te werken. Het was er nogal onrustig - niet omdat er een veganistische variant van de gemberthee was gelanceerd, maar omdat ik tegenover een vrouw zat die blijkbaar een aanspreekpunt was voor een speciale groep cafémedewerkers.

Het valt me normaliter al zwaar om me te concentreren in de zee van geluid die het hippe grand café is, maar nu was het extra moeilijk. Naast mij vormde zich een rij van medewerkers die springend en dansend van trots kwamen vertellen dat iemand een koffie had besteld en dat ze die toen hadden gehaald bij de bar en afgeleverd bij de gast en dat die toen 'bedankt' had gezegd.

Halverwege het verhaal van de eerste medewerker was ik al behoorlijk opgefokt, maar de vrouw stond ze allemaal rustig en vooral zorgzaam te woord. Ik keek er met bewondering naar, vooral omdat zorgzaamheid een eigenschap is die ik zelf ontbeer - als mijn vriendin ziek is en naast mij op de bank begint te niesen, gooi ik meestal een oude paardendeken over haar hoofd in plaats van dat ik een Citrosan voor haar ga maken.

De rij naast mij werd langer en langer en de medewerkers drukker en drukker en het werd mij duidelijk dat dit mensen waren met 'een afstand tot de arbeidsmarkt', zoals dat tegenwoordig heet. Een vreemde term (afstand is tenslotte relatief) waar ook nog een misplaatste zweem van incompetentie omheen hangt, want het is juist verstandig om zo veel mogelijk afstand tot de arbeidsmarkt te houden.

Omdat ik me niet meer kon focussen op mijn werk, dacht ik aan de 'romige' tomatensoep die ik straks zou gaan bestellen. Die soep nam ik elke keer dat ik in het hippe grand café kwam en hij had me nog nooit teleurgesteld. Ik kon hem al bijna proeven. Ah... De romigheid! De tomaten! De soep!

Intussen was een van de speciale medewerkers gratis stukjes meloen aan het uitdelen aan de typende clientèle. Hij mocht dan een afstand tot de arbeidsmarkt hebben, afstand tot zijn gasten voelde hij niet: ratelend als een roddeltante bracht hij zijn waar aan de vrouw. Toen hij al kwebbelend bij mij was aangekomen en ik zei dat ik geen meloen hoefde, zag ik teleurstelling in zijn blik, maar hij herpakte zich snel. 'Dat kan,' zei hij, 'sommige mensen hoeven geen meloen, dat kan toch? Niet iedereen houdt van meloen. De ene wel en de andere niet. Is niet gek, toch? Niet iedereen houdt van meloen.'

De fitgirl naast mij lustte wel een stukje. 'Kijk, zij wil wél meloen,' zei de medewerker. 'Hij niet, maar zij wel. Dat kan. Sommige mensen hoeven geen meloen. Is niet gek, toch? Niet iedereen houdt van meloen.' En voort ging hij, tot de vrouw tegenover mij opstond, naar hem toe liep en op zijn schouder tikte met de woorden: 'Joep, je staat weer áán.'

Een reguliere ober kwam naar mij toe en vroeg of ik wat wilde bestellen. 'Ja, de romige tomatensoep, graag,' antwoordde ik.
'Die is helaas op,' zei hij. 'Wil je een andere soep? De wortel-gembersoep is de soep van de dag.'

Ik keek naar de andere soepen op de kaart. Ik wil geen andere soep, dacht ik. Ik wil de romige tomatensoep, want die neem ik altijd als ik hier ben. En ik ben nu hier dus ik wil de romige tomatensoep. Want die neem ik altijd als ik hier ben.
'Eh, meneer?' zei de ober.
Ik stond op, liep naar de rij medewerkers naast mij en sloot achteraan.



[ Maar wat is het? ]