Een hele zak pindarotsjes

Eerder gepubliceerd als column in Playboy #08/2018

Mijn rechteroor zit al een maand voor ongeveer negentig procent dicht, en afgezien van het levensgrote nadeel dat muziek nu heel raar klinkt, bevalt het me wel.

Een levensgroot vóórdeel is er namelijk ook: je hoort veel minder gewauwel om je heen. Al is het in het café dan weer lastig - als er iemand toevallig aan mijn rechterkant zit, kan ik hem nauwelijks verstaan. Meestal kijk ik goed naar de mond van mijn gesprekspartner. Wanneer die stopt met bewegen, wrijf ik wat met mijn duim en wijsvinger over mijn baardje en zeg: 'Interessant dat je dat zegt.' Of, als ik een glimlach zie bij de spreker nadat hij is opgehouden met praten: 'Grappig dat je dat zegt'. Als het een vrouw is zeg ik: 'Niet om het een of ander, maar ben je soms afgevallen?' En als de barman roept dat het tijd wordt om te betalen, ben ik ineens aan beide oren honderd procent doof.

Zo sla ik me de laatste weken door het leven heen en het gaat best goed - niet veel slechter dan normaal, bedoel ik. Af en toe krijg ik een visioen van mezelf als een oud mannetje, een stripfiguur met twee bossen wit haar aan de zijkant van mijn verder kale hoofd en zo'n enorme hoorn in mijn oor om toch nog iets te horen en heel hard WABLIEF? schreeuwend tegen een verpleegster met een wit pakje en een rood setje aan.

Voorlopig ben ik echter nog niet gepensioneerd en moet ik geld verdienen om mijn huur en de rekening van het café te betalen, dus zat ik achter mijn computer, met de balkondeur open. Het was een mooie, zonnige dag. Mijn jonge buurvrouw kwam het balkon naast het mijne op, waarschijnlijk met haar telefoon, want ze was druk aan het kwetteren en ik hoorde niemand antwoord geven. Ze kwetterde zelfs zo hard dat ik haar kon verstaan, dwars door mijn overvloed aan oorsmeer heen. 'Nee, sorry, ik ben echt enorm ongesteld,' zei ze. 'Gisteravond begonnen. Niet normaal meer.'

Ik probeerde verder te gaan met het corrigeren van een handleiding van het cms van een website met een gebruiksaanwijzing voor een website die uitleg geeft over diverse telefoonabonnementen, maar mijn concentratie was verdwenen.
'Krampen, ja!' vervolgde ze. 'Niet normaal meer. Of had ik dat al gezegd?' Het was even stil. Als mijn gehoor perfect was geweest, had ik nu vogels horen fluiten, in het sublaag begeleid door het gezoem van hommels.
'Een rivier?' vroeg de buurvrouw. Ik hoopte dat het onderwerp in 'vakantie' was veranderd.
'Nee, het lijkt meer op stukken Turks fruit.' Het kan nog steeds beide kanten op, dacht ik.
'Daarover gesproken...' zei de buurvrouw. 'Ik heb net een hele zak pindarotsjes op. Wondermiddel!' Er klonk een lach. Ik probeerde een beetje mee te lachen met hetzelfde hikje als de buurvrouw - dat soort dingen ga je doen als je veel alleen bent en niet helemaal goed.

'Nee, dat heb ik maar afgezegd,' ging ze verder. 'Hele familie boos. Maar ja, de sfeer was toch al kut. Whatever.' Achter mijn bureau maakte ik met twee duimen en twee wijsvingers het Whatever-symbool zoals ik dat ken uit de film Clueless met Alicia Silverstone, die toen (1995) misschien wel op het hoogtepunt van haar schoonheid was en nooit ongesteld, dat wist ik zeker.
'En als ik in deze toestand toch was gegaan...' zei de buurvrouw. 'Wat zeg je? Ja, een bloedbad!'
Ze gierde het uit - een zwerm zwarte vogels vloog op uit de enige boom achter ons huizenblok en terwijl ik ze nakeek werd het me langzaam duidelijk dat ik nooit meer een pindarotsje zou eten.



[ Maar wat is het? ]