De Rode Piste

Eerder gepubliceerd als column in Playboy #10/2020

Ik ben teleurgesteld in mezelf. Ik weet wel dat het tegenwoordig mode is om jezelf continu de hemel in te prijzen, vooral op je sociale media, maar daar doe ik niet aan mee.

Net als vele anderen zat ik tijdens de coronacrisis veel thuis met weinig te doen. Eindelijk tijd om die halvelevenslang uitgestelde projecten uit te voeren. Het huis stofzuigen, ook in alle hoeken waar ik normaliter nooit stofzuig 'omdat daar toch geen stof kan komen'? Check. Naar Amersfoort fietsen en terug? Check. De romancyclus Het Bureau van J.J. Voskuil (zeven delen van samen bijna 5.000 pagina's) lezen? Bijna check, ik ben halverwege deel zes en strikt genomen zitten we nog in de coronacrisis.

Alcoholist worden? Mislukt.

En het zag er allemaal zo voorspoedig uit, die eerste weken van de intelligente lockdown. Avond aan avond dronk ik flessen rode wijn leeg alsof er geen morgen was en niets leek een bestaan als alcoholist in de weg te staan. Dat kwam goed uit, want in de nachtelijke herhalingen van Nieuwsuur werd mij verteld dat zzp'ers in de schrijverij beter een ander beroep konden kiezen. Ik zag het al voor me: opstaan in de middag (hier overlappen de twee beroepen elkaar nog) en rustig beginnen met beugeltjes Grolsch tegen de nadorst. Bij het avondeten een paar flesjes wijn en daarna aftoppen met veel glaasjes whisky (alcoholisten benoemen hun inname altijd met verkleinwoorden). Op tijd naar bedje, want morgen is er weer een dagje waarop er moet worden gepresteerd.

Ik was al eens eerder op dit kruispunt geweest in mijn leven, ergens in de laatste vijf jaar van mijn studententijd, toen ik de problematische hoeveelheid van 21 'eenheden' alcohol per week meestal al vóór woensdagavond naar binnen had geklokt. Maar ja, toen was mijn lichaam nog jong en mijn geest dacht zelfs dat ik onsterfelijk was. Totdat ik stage ging lopen (stomme term, want ik deed al mijn werk zittend) en daarna werken. Als er iets dodelijk is voor een carrière als alcoholist, is het wel een vaste baan. Zoals collega-auteur Oscar Wilde al zei: werk is de vloek van de drinkende klasse.

Deze keer was het niet een vaste baan die mij nekte, maar mijn lichaam. Het gebeurde na een week of zeven, toen ik 's avonds laat aan het aanrecht stond om voor de vierde of zesde keer mijn wijnglas te vullen. Met onbekrompen maat schonk ik in, tilde het glas op, rook eraan en gooide de drank instinctief met een plets in de gootsteen. Mijn lichaam hoefde niet meer. Vijf dagen heb ik toen geen alcohol gedronken - daarna begon ik weer voorzichtig op te bouwen, maar zoals in die heerlijke eerste lockdownweken werd het nooit meer. En dat tijdens een crisis die nota bene is vernoemd naar een biermerk.

Treurend over deze mislukking zat ik vorige week aan de bar van mijn stamcafé, een glas Witte Trappist voor mijn neus. Er kwamen vier luidruchtige studenten binnenstormen die vier bier bestelden, hun glas in een onwaarschijnlijk hoog tempo leegdronken, afrekenden en weer vertrokken.
'Die doen waarschijnlijk De Rode Piste,' zei de barman tegen mij in de plotseling ontstane rust.
'Maar ze hadden toch geen ski's aan?' vroeg ik, waarna de barman uitlegde dat De Rode Piste een kroegentocht is waarbij je in een stuk of vijftien cafés steeds één (1) biertje drinkt. 'Diehards zetten er een shotje naast,' voegde hij eraan toe.

Even overwoog ik ook een shotje naast mijn Witte Trappist te laten zetten. Maar ach, dacht ik, wie houd ik daarmee voor de gek? Ik moet mezelf accepteren zoals ik ben. Mijn naam is Robert en ik ben geen alcoholist.



[ Maar wat is het? ]