Een halflege fles sterkedrank

Eerder gepubliceerd als column in Playboy #07/2018

Toen ik een jaar of elf was, maakte ik met een schoolvriendje en zijn ouders een uitstapje naar Amsterdam. We liepen door het Begijnhof - de ouders wezen ons op de stokoude huisjes en legden uit dat het stokoude huisjes waren, maar de stokoude huisjes konden ons maar matig interesseren.

Mijn aandacht ging uit naar de stokoude man die rustig op een bankje zat. Hij had een grijze baard met etensresten erin, een jas die alle natuurkundige wetten tartte door voor meer dan de helft uit gaten te bestaan en tegen hem aan stond een halflege fles sterkedrank. Dat moest een zwerver zijn, wist ik, daar hadden we het in de klas weleens over gehad. Nadat ik hem een tijdje had bestudeerd, dacht ik: later wil ik ook zo worden.

De zwerver gooide stukjes brood naar de vogels die om hem heen hipten. Daarna stond hij op, liep naar de vader van mijn vriendje en vroeg: 'Heeft u misschien een gulden voor me?' Ik vond het zielig en begon alvast in mijn portemonneetje te zoeken. Als mijn vriendje en zijn ouders dat nou ook deden, was het een kwartje per persoon, ofwel 1/20e Suske en Wiske, de valuta-eenheid die ik tot diep in mijn tienerjaren hanteerde. Maar de vader zei: 'Nee,' en liep weg.

De zwerver liep achter hem aan en zei: 'Het is voor een beetje eten.' Meteen draaide de vader zich om en zei: 'Dan had je je brood maar niet aan de vogeltjes moeten geven.' Vervolgens leidde hij ons het hofje uit, want we moesten naar het Tropenmuseum om te kijken hoe het raadhuis van Baroejoe Lasara op het eiland Poelau Telo in Nederlands-Indië eruitzag in 1922.

Een jaar of zeven later woonde ik zelf in de grote stad. In mijn eerste jaren gaf ik zwervers bijna altijd geld als ze erom vroegen, soms zelfs als ze er niet om vroegen. Ik zag het als een investering in mijn toekomst: mijn studie duurde elk jaar een jaar langer dan gepland en het leek me sterk dat ik ooit een baan zou krijgen. Als ik die zwervers geregeld wat toestopte, vonden ze mij een toffe peer en zou ik over een paar jaar moeiteloos kunnen assimileren in hun leefgemeenschap, was mijn redenering. Ik zocht alvast mijn toekomstige vrienden uit - er was een zwerver die zonder haperen de prachtigste volzinnen uit zijn mond liet rollen als hij om geld vroeg. Dat zou mijn beste vriend worden, dacht ik, we zouden samen halflege flessen sterkedrank drinken en praten over literatuur, muziek en welke vuilnisbakken de meeste stukken KFC bevatten.

Nu ik een oude witte heteroseksuele man ben, is mijn romantische kijk op het zwerversbestaan en veel andere zaken danig vervaagd. Al kan dat ook aan de huidige lichting zwervers liggen, dat die net als de huidige lichting spelers van het Nederlands elftal gewoon niet goed genoeg is. Ze zitten vlak bij mijn stamcafé op een stenen bank, schreeuwen naar elkaar en drinken bier - geen visie, ambitie of leiderschap te bekennen.

Niet zo vreemd dus dat deze bankzitters op zoek zijn naar een Verlosser. De eerste contacten zijn al gelegd: af en toe komt een van de zwervers bij me bedelen op het terras waar ik zelf zit te schreeuwen en bier te drinken. De laatste maanden lopen ze me echter voorbij en proberen het bij iemand anders. Vreemd, dacht ik een paar keer, tot ik in de spiegel op de kroeg-wc zag dat er gaten in mijn hoodie zaten en roerei van eergisteren in mijn baardje. Als ze me vragen, dan doe ik het, nam ik me voor. Ik hoopte maar dat de zwervers genoeg van mijn giften hadden gespaard om mijn salaris te kunnen betalen van twintigduizend Suskes en Wiskes per jaar.



[ Maar wat is het? ]