Achter de voordeur

Eerder gepubliceerd als column in Playboy #05/2019

Het was kwart voor vijf 's ochtends en ik lag in bed een grondig concurrentieonderzoek te doen. Daarmee bedoel ik dat ik een roman aan het lezen was van een collega-auteur, in dit geval De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren van Haruki Murakami. Midden in een spannende scène ging de portiekbel, vier keer kort na elkaar.

Wat nu toch allemaal weer? dacht ik, of zoals Murakami zou denken: 何が今また何? Ik rolde uit bed, liep naar de parlofoon en zei: ‘Eh... Ja?’
Aan de andere kant klonk een vrouwenstem: 'Kunt u de portiekdeur opendoen? Ik ben van de Thuiszorg.' Een beetje vreemd tijdstip voor thuiszorg, dacht ik, en dat zei ik toen ook maar. Ze negeerde mijn opmerking en zei dat ze bij een benedenbuurman moest zijn, maar die reageerde niet op haar aanbellen. Nu was het mij al opgevallen dat die buurman de laatste tijd inderdaad slecht ter been is, maar ik vond deze situatie nog steeds hoogst ongebruikelijk.

Na een halve minuut discussiëren zoemde ik in al mijn plattelandsnaïviteit toch maar de portiekdeur open. Misschien lag mijn buurman wel te sterven en had hij met zijn laatste krachten de Thuiszorg gebeld, dacht ik. Of hij wilde shoarma bestellen en had met zijn dikke oude buurmanvingers op zijn telefoon per ongeluk net onder Thuisbezorgd.nl getikt, dat kon natuurlijk ook.

Twintig seconden later was de vrouw vier trappen opgelopen en belde aan bij mijn voordeur. Was dit soms een nieuwe inbraakmethode? Stond er een zwijgende kickboksroemeen naast haar? Ik besloot mijn naïviteit te laten varen, liet de deur dicht en zei met lichte stemverheffing: 'Eh... Ja?' Mijn appartementje heeft een dikke, brandwerende voordeur, dus ik twijfelde over mijn volume - het moest hard genoeg zijn zodat ze het zou kunnen horen, maar niet zo hard dat ik het hele portiek wakker zou schreeuwen.

Het verhaal sloeg een andere richting in. Ze was van een speciale dienst van Thuiszorg, meldde ze, en ze was hier om 'intiem te worden' met de benedenbuurman. Intiem worden - de uitdrukking had een hoog jarenzeventiggehalte, vond ik. Wie stond er hier voor mijn deur? Xaviera Hollander? Straks begon ze nog over 'op z'n Frans, Grieks of Russisch,' dat las je vroeger altijd in seksadvertenties, die toen trouwens nog gewoon sexadvertenties heetten. De woorden 'hoogtepunt', 'wippen' en 'flamoes' kwamen bij me op.

Zoals wel vaker vergat ik dat ik iets terug moest zeggen, maar ze doorbrak zelf de stilte: 'Wilt ú dan misschien intiem met mij worden?'
'Eh... Nee, bedankt,' antwoordde ik.
'U hoeft niet bang voor mij te zijn, hoor,' zei ze. Vrouwen die zeggen dat je niet bang voor ze hoeft te zijn, daar moet je bang voor zijn, had ik laatst gehoord van een vriend.

Met een zo zwaar mogelijke stem zei ik: 'Het lijkt me beter dat u vertrekt. Dan kan ik weer rustig Murakami gaan lezen.' Ik wachtte op een antwoord, misschien wel: 'O, Murakami, daar ben ik óók gek op! Wat vindt u van De Opwindvogelkronieken? En Spoetnikliefde, heeft u die gelezen?' Dan zouden we door de dichte deur een uur over literatuur praten en toch nog intiem worden, nu ja, alles geestelijk natuurlijk.

Maar ze zei niets. Ik hoorde voetstappen en daarna werd het stil - ze was verdwenen als een vermeende Thuiszorgmedewerkster in de nacht. Ik ging in de woonkamer op de bank zitten om te overdenken wat er net was gebeurd, maar ik kon er niets mee, zoals dat heet. Ik kon het zelfs niet als grappige anekdote navertellen in het café, want dit verhaal had geen climax. Het begon, kwam een beetje op stoom en toen hield het op.



[ Maar wat is het? ]