Robert in Wonderland

Eerder gepubliceerd als column in Playboy #05/2023

Mijn vriendin is verhuisd naar de beste wijk van Utrecht. Zelf woon ik nog steeds in een van de slechte wijken. Elke keer als ik bij haar langsga in haar nieuwe straat, is het alsof ik door een konijnenhol val en in een andere, magische wereld terechtkom.

De huizen daar zien eruit als huizen, met voordeuren en achtertuinen en daken. De geveltuintjes hebben een biodiverse beplanting en zijn aangeharkt, achter de ramen van hr++-glas hangen posters van een theaterproductie over het Nederlandse slavernijverleden. Automobilisten stoppen voor je wanneer je wilt oversteken en geven vriendelijk wuivend aan dat je kunt doorlopen. Alle vrouwen van middelbare leeftijd die ik op straat zie, lijken op Sigrid Kaag. Alle jongere vrouwen lijken op een jongere Sigrid Kaag.

Wanneer mijn vriendin bij haar buren aanbelt om zich voor te stellen, doen die gewoon de deur open en maken een praatje. Een vrouw uit de straat kwam een perenboom (!) brengen als welkomstcadeau. Elke zaterdag staat er een kaasboer op het pleintje vlak bij haar huis en er is ook nog een echte bakker aan het eind van de straat die zoete broodjes bakt. Maar het mooiste: toen ik gisteravond door haar wijk fietste, op weg naar huis, werd ik vergezeld door zachte klassieke muziek. Rachmaninov, Beethoven en het Ave Maria van Schubert, Erhöre einer Jungfrau Flehen / Aus diesem Felsen starr und wild, ach wat prachtig toch allemaal. Ik vermoed dat alle bewoners samen een klassieke Spotify-playlist beheren die 's avonds en 's nachts wordt afgespeeld op rotsblokvormige Sonos-boxen in hun geveltuintjes.

Maar ja, negen minuten later arriveerde ik bij mijn eigen buurt. De huizen daar zien er niet uit als huizen, maar als varkensflats, zoals mijn broer de boer ze ooit omschreef. De strook groenvoorziening voor de flats (die beter bruinvoorziening zou kunnen heten) ligt vol met Red Bull-blikjes en wc-papier met biodiverse soorten poep. Bijna alle bewoners houden hun gordijnen de hele dag dicht. Toen ik mijn straat in fietste, stonden schimmige types hun handen te warmen bij een oliedrum waarin een vuurtje brandde. Uit een stilstaande Audi RS3 met getint glas klonk nineties-hiphop: Wu-Tang Clan, The Notorious B.I.G. en Hail Mary van 2Pac, I ain't a killer but don't push me / Revenge is like the sweetest joy next to getting pussy, het is geen Schubert, maar toch klassiek.

Ik maakte mijn fiets vast aan een dood boompje en liep naar de snackbar een paar straten verder voor een late-night patat & kroket. Half op de stoep stond een Peugeotje geparkeerd, raampje naar beneden, het bestuurdertje wenkte mij. Wilde hij misschien de weg naar de snackbar weten? Ik liep naar hem toe.
'Hé man,' zei hij.
'Hé man,' zei ik. In het licht van de lantaarnpaal zag ik dat hij een gouden tand had.
Hij keek snel naar rechts en weer naar mij. 'Wil je vijfenzeventig euro verdienen?' vroeg hij.
Ik antwoordde dat ik al genoeg geld had, bedankte en liep door.

Toen ik bij de snackbar aankwam, liep er een man naar buiten. Hij haalde zijn rechterwijsvinger onder zijn neus door en snoof luid. 'Hé man,' zei hij, 'heb je nog wat nodig?'
Dat is nu al de tweede persoon binnen twee minuten die zich om mij bekommert, dacht ik. Sociale cohesie is overal, als je het maar wilt zien. Een paar minuten voelde ik me bijna gelukkig, tot ik terugliep met mijn snacks en zag dat mijn fiets was gestolen. Uit de Audi hoorde ik 2Pac rappen: It's just me against the world.

<< Vorige column | Volgende column >>



[ Maar wat is het? ]